16 mei 2013Flag-en.png
Anéla Voorjaarsstudiedag, Radboud Universiteit Nijmegen

Keynote Prof. dr. M. Coene en Prof. dr. P. Govaerts

2013%20Anela%20Coene(1).png

Klinische beoordeling van de perceptie van toonhoogte en de relevantie ervan voor de verwerving van grammatica in gesproken taal bij slechthorende kinderen.

Martine Coene & Paul Govaerts,
Vrije Universiteit Amsterdam & De Oorgroep, Antwerpen

In gesproken taal kan belangrijke informatie op verschillende manieren worden uitgedrukt. Germaanse talen (zoals het Nederlands) gebruiken prosodische prominentie terwijl Romaanse talen eerder gebruik maken van syntactische processen. Zo heeft het Nederlands 'een mooi MEISJE- een MOOI meisje' in het Italiaans als tegenhangers 'una bella ragazza- una ragazza bella'.

Het gebruik van variaties in toonhoogte stelt de spreker in staat bepaalde elementen in lopende spraak te benadrukken. Wanneer we de taalinput naar kinderen nader bestuderen, zien we dat toonhoogtemarkeringen een middel zijn om de aandacht van kinderen te vestigen op nieuwe referenten in de context (bijvoorbeeld: 'Kijk eens wat een lekker KOEKJE!').

In eerder onderzoek is aangetoond dat bepaalde morfemen, zoals het onbepaald lidwoord 'een', vaker voorkomen in de nabijheid van een zelfstandig naamwoord dat benadrukt wordt door middel van een toonhoogteaccent. Alhoewel bepaalde lidwoorden (de/het) frequenter voorkomen in de input naar kinderen toe dan hun onbepaalde tegenhangers, wordt de onbepaalde variant van het lidwoord toch eerder verworven. Een mogelijke verklaring hiervoor is te vinden in de combinatie van dit lidwoord met een naamwoord dat prosodisch gemarkeerd is. Verrassend genoeg laat de grammatica van kinderen met een cochleair implantaat niet hetzelfde vroege voorkomen van onbepaalde lidwoorden zien.

De hypothese van dit onderzoek is dat het verschil in lidwoordverwerving tussen horende kinderen en dove kinderen met een cochleair implantaat het resultaat is een afwijkende perceptie van toonhoogte die is te wijten aan een beperkte codering van de fundamentele frequentie in het spraaksignaal door de spraakprocessor van het cochleair implantaat.

Om deze hypothese te verifiëren zijn verschillende populaties dove en horende mensen getest. Hierbij is gekeken naar de perceptie van toonhoogte met betrekking tot de intonatiepatronen die voorkomen in de natuurlijke taal. Er werd een perceptietaak uitgevoerd bij 19 dove volwassenen, 19 dove kinderen (leeftijd: 5-15 jaar) met verschillende typen hoorapparaten (CI, klassiek hoortoestel en tweezijdig CI + hoortoestel) en 30 volwassenen en 19 kinderen (leeftijd: 6,5-12 jaar) met een normaal gehoor. In een aantal discriminatietaken moesten de participanten paren van mono- of bi-syllabische woorden onderscheiden op basis van toonhoogte. Het ging om 16 paren van woorden verkregen uit natuurlijke spraak en 16 paren van woorden die doorheen een lage doorlaatfilter werden gehaald (500 Hz).De stimuli bootsten intonatiepatronen na van bepaalde en onbepaalde lidwoorden in combinatie met een naamwoord.

De uitkomsten werden beoordeeld in relatie tot het gehoorverlies, het type van gehoorapparaat en het soort stimulatie (elektrisch of een combinatie van elektrische en akoestische stimulatie). De resultaten bevestigen dat CI-gebruikers significant slechter scoren op intonatietaken dan normaalhorenden. Daarnaast en dat het gelijktijdig gebruik van een hoorapparaat in het tegenovergestelde oor de geteste perceptieve vaardigheden van de dove kinderen significant doet toenemen.

Op basis van deze resultaten lijken kinderen met een cochleair implantaat moeilijkheden te hebben met het horen van subtiele verschillen in de fundamentele frequentie van spraaksignalen. Het waarnemen van deze verschillen is noodzakelijk om bepaalde intonatiepatronen in gesproken taal van elkaar te onderscheiden. Wat het taalverwervingsproces betreft, kan men stellen dat zelfstandig naamwoorden die een toonhoogteaccent dragen minder makkelijk zullen waargenomen worden door kinderen met een cochleair implantaat. Dit resulteert in een vertraging in de verwerving van onbepaalde lidwoorden. Het optimale gebruik van het restgehoor (een klassiek hoortoestel in het niet-geïmplanteerde oor of elektroakoestische stimulatie in het geïmplanteerde oor) zal waarschijnlijk het waarnemen van de lage frequenties verbeteren. Het is te verwachten dat dit een positief effect zal hebben op de verwerving van intonatie-gerelateerde morfologie.



Lezing Anneke Van der Lee, MA

Presentatie EN.png
Bekijk de hele presentatie hier!

Zijn de fouten bij een slechte verstaander linguïstisch bepaald?
Op zoek naar fonetische en lexicale verklaringen voor initiële consonantconfusies bij spraakaudiometrie
Anneke van der Lee 1,2, Paul Govaerts 1,2, Bart Vaerenberg 2, Martine Coene 1,2
1) Vrije Universiteit Amsterdam & 2) Otoconsult/Eargroup Antwerpen

Achtergrond.
Spraakaudiometrie is gangbaar klinisch onderzoek bij de analyse van slechthorendheid. In een klassieke testsituatie wordt de patiënt gevraagd auditief aangeboden woorden te herhalen. De audioloog registreert vervolgens voor elk woord welke (mede)klinker(s) niet correct werden gereproduceerd en berekent op basis hiervan het percentage van spraakverstaan dat de patiënt bereikt.

Doelstelling.
De centrale vraag van deze studie is hoe patiënten die een spraakaudiometrische test ondergaan de hiaten invullen wanneer zij een (deel van het) woord niet goed verstaan. Spraakverstaan is immers een complex proces waarin zowel auditieve factoren (gehoordrempel, onderscheidend vermogen)
als niet-auditieve factoren (linguïstische vaardigheden, cognitieve capaciteiten) een rol spelen. In dit onderzoek willen we nagaan of de gevonden foneemconfusies te verklaren zijn op linguïstische gronden.

Methode en materialen.
We vergelijken stimuli die gebruikt worden in een spraakaudiometrische test voor het Nederlandstalige gebied met hun responses en toetsen hierbij de volgende drie hypothesen:
(i) de alternatieve responses worden gevormd op basis van de loutere beschikbaarheid van fonemen (de “fonemische hypothese”);
(ii) de luisteraar kiest voor een alternatief dat een bestaand woord vormt in zijn/haar moedertaal de “lexicale” hypothese);
(iii) de keuze voor een bestaand alternatief woord gebeurt op basis van lexicale frequentie de “frequentie” hypothese).

De geanalyseerde dataset bestaat uit 35.040 stimulus-response paren. De resultaten maken deel uit van een pilot waarbij het stimulus-woord ‘bel’ werd geanalyseerd. Dit woord werd 236 keer aangeboden en gaf aanleiding tot 47 alternatieven waarvan de beginconsonant verschilde van de oorspronkelijke /b/. De voorgestelde analyse bestaat uit een vergelijking van de alternatieven aan de hand van matrices waarin de verwachte en geobserveerde waardes zijn weergegeven, en dit voor elk van de eerder vermelde linguïstische hypothesen. Er wordt vanuit gegaan dat de hypothese met de kleinste fout tussen beide waardes de grootste waarschijnlijkheid heeft om waar te zijn.

Resultaten en conclusie.
Wanneer de foneemconfusies op die manier met elkaar worden vergeleken voor de drie hypotheses, blijkt dat de lexicale hypothese de beste verklaring biedt voor de geproduceerde set van alternatieven (0,812). Op de tweede en derde plaats volgen respectievelijk de fonemische route (0,938) en de frequentie route (1,359). Op basis van deze pilot lijkt het erop dat mensen voor een betekenisvol alternatief kiezen wanneer zij de beginconsonant niet goed verstaan. Dit zou belangrijke implicaties kunnen hebben voor de huidige testen spraakaudiometrie. Deze pilot vormt slechts een klein deel van het onderzoek wat de komende weken uitgebreid zal worden naar andere initiële consonanten.